Om aan geschiedschrijving te doen, heeft men in de eerste plaats nood aan een degelijke periodisering. Onze traditionele indeling van de tijd is gecentreerd op West-Europa en het Middellandse Zeegebied, hetgeen voor onze gewesten inderdaad een geschikt uitgangspunt is, maar de indeling zelf gaat in feite terug op opvattingen uit de renaissance. Recentere historische inzichten dringen echter enkele correcties op aan dit model.
In het onderstaande exposé wordt van een sterk op Europa gecentreerde opvatting uitgegaan. Betekent dit dan dat we de rest van de wereld laten links liggen of dat deze andere gebieden onbelangrijk zijn voor de menselijke geschiedenis? Absoluut niet, maar periodisering is in de eerste plaats een hulpmiddel bij de feitelijke geschiedschrijving en om in onze gewesten te gebruiken, zeker met het oog op didactische doelstellingen, is een concentratie op Europa dan ook niet verkeerd. Ten eerste is deze opvatting ingeburgerd en biedt aldus herkenningspunten aan de meeste mensen hier, bovendien is de geschiedenis van Europa en het Middellandse Zeegebied nu eenmaal een heel belangrijk stuk wereldgeschiedenis. Het is natuurlijk wel goed zich bewust te zijn van het feit dat ook elders in de wereld cruciale gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, zeker in periodes zoals de Eerste Middeleeuwen, waarin bijvoorbeeld de Arabische wereld een prominente rol speelde. Misschien is de term "het Westen" overigens beter geschikt om de gebieden te beschrijven waarin de voor ons belangrijkste geschiedenis zich afspeelt. Waar ligt dan juist de grens tussen Oost en West? Ook het antwoord op deze vraag is in de eerste plaats een conventie. In feite is het pas bij het splitsen van het Romeinse Rijk (RR) in een West-Romeins Rijk (WRR) en een Oost-Romeins Rijk (ORR) dat een dergelijke grens voor het eerst opduikt. Deze grens van 395 nC valt bovendien voor een groot deel samen met de grens tussen Latijn en Grieks. Wat wij als het Westen beschouwen, behoorde dan grotendeels tot het WRR, voerde het Latijn als cultuurtaal, had het Latijns Christendom als belangrijkste religie en onderging de invloed van de Germanen.
In de totale menselijke geschiedenis die vele miljoenen jaren omvat, worden enkel de laatste 56 eeuwen door schriftelijke bronnen toegelicht. De oudste nu bekende geschriften dateren van omstreeks 3600 vC. Daarom wordt de periode vóór deze datum traditioneel de prehistorie of voorgeschiedenis genoemd, al omvat ze dus in feite het overgrote deel (99,9%) van de menselijke historie. Om deze prehistorische tijden te bestuderen, moeten we onze toevlucht nemen tot archeologische bronnen. Overigens werden in de renaissance-opvatting deze tijden niet als "echte" geschiedenis beschouwd, hetgeen natuurlijk niet juist is.
Wanneer we de menselijke geschiedenis in zijn totaliteit beschouwen, dan kunnen we drie grote fasen onderscheiden. De langste periode (enkele miljoenen jaren) leefde de mens als een jager-voedselverzamelaar die geen vaste woonplaats had, maar rondzwierf en het grootste deel van zijn tijd besteedde aan het in leven blijven. Hierin komt pas verandering wanneer de landbouw tot ontwikkeling komt. Pas op dat ogenblik ontstaat een sedentaire samenleving. Natuurlijk is dit alles niet op één dag gebeurd, was het veelal geen bewuste keuze, maar is de overgang naar een landbouwsamenleving geleidelijk verlopen, waarbij sommige streken vroeger of later dan hun buren deze omschakeling invoerden.
De meeste geschiedschrijvers situeren het ontstaan van de landbouw en het verlaten van de nomadische leefwijze omstreeks 10.000 vC. Men noemt deze "gebeurtenis" de Neolithische Revolutie. Het Neolithicum (Nieuwe Steentijd) volgt dan op het Paleolithicum. In dit tweede grote stadium van de geschiedenis wordt het mogelijk het werk te gaan verdelen en ontstaat het begrip eigendom. Op dat moment krijgt de samenleving haar vorm die pas in de jongste eeuwen zal verdwijnen: een maatschappij van grondeigenaars en grondbewerkers, met slaven, lijfeigenen, etc. De grondbezitters bewijzen dan hun diensten als krijger of priester en rechtvaardigen op die wijze hun positie in de samenleving. Zo ontstaat een maatschappij met drie lagen: de onderste, grootste laag, bewerkt de grond. De tweede laag verdedigt het land en de religieuzen vormen de derde laag. Tot aan de Franse Revolutie (FR) zijn het de laatste twee standen die de samenleving besturen. Deze landbouwsamenleving zou stand houden tot aan de industriële revolutie. Pas daarna ontstaat een maatschappij waarin de landbouw niet langer de ruggengraat vormt en vanaf dat ogenblik wordt de Industriële maatschappij geboren. Overigens moet industrie hier in een brede betekenis worden opgevat. Ook onze huidige informatiesamenleving valt dan onder die benaming te catalogiseren. Aldus is de Industriële Revolutie (IR) het tweede grote hoofdmoment in de geschiedenis, na de Neolithische Revolutie. We staan vandaag dan ook pas aan het prille begin van dit nieuwe tijdvak.
De traditionele opvattingen hebben overigens veel te veel belang gehecht aan het verschijnsel van de steden en de handel tijdens de periode voorafgaand aan de IR. Pirenne is daar een voorbeeld van. Door zich toe te leggen op het ontstaan van de steden, werd hun belang sterk overschat en krijgt men nogal eens de indruk dat er buiten de steden niets van belang was, hetgeen zeker foutief is. Pas vanaf de IR worden de steden en de handel zo belangrijk dat ze uiteindelijk dominant worden.
Wanneer we 3600 vC aanvaarden als grens tussen prehistorie en geschiedenis, dan is het eerste belangrijke breekpunt waarnaar we op zoek gaan de overgang tussen wat men traditioneel de oudheid noemt en de periode die in de renaissance de benaming Middeleeuwen (ME) heeft meegekregen. Wanneer we, tenminste voor het Westen, het debat voeren: "wanneer eindigt de oudheid en beginnen de Middeleeuwen", dan stellen we in feite de vraag: "wanneer begint het verval van de klassieke samenleving"? Hiervoor gebruikt men nogal eens de datum 476 (val van het WRR). Samen met Dhondt en anderen, ben ik van mening dat dit eigenlijk niet juist is. De val van het WRR is weliswaar een gemakkelijk te onthouden moment en het biedt een mooie parallel met 1453 (val ORR), wat nogal eens als het einde van de Middeleeuwen wordt beschouwd.
Echter, 476 trekt de aandacht op het Westen op een moment dat dit eigenlijk geen rol van betekenis meer speelt. Bovendien verdoezelt deze datum het feit dat in het Oosten het Romeinse Rijk blijft verderbestaan. Immers: de benamingen WRR en ORR zijn post facto betitelingen. Het ORR was, zeker in de ogen van de bewoners en machthebbers daar, de enige verderzetting en erfgenaam van het RR. Wat wij gewoonlijk als het klassieke RR beschouwen, valt in feite uiteen in drie gebieden: het WRR, dat de naam "rijk" eigenlijk niet verdiende en dan ook eerder een conventie is dan wel een historische feitelijkheid, het ORR en de Arabische (later Islam) beschaving. Door in plaats van 476 de splitsing van het RR in 395 als scheidingsdatum te kiezen, wordt met bovenvermelde bezwaren rekening gehouden. Toen Theodosius twee opvolgers aanduidde, was hij vermoedelijk niet zinnens het RR in twee afzonderlijke rijken op te splitsen, al is dat in de praktijk wel zo uitgedraaid: na 395 is er nooit meer één enkele keizer geweest van het RR (in de betekenis van WRR+ORR). Vanaf 406 beginnen dan de grote invallen, al kwamen die ook al voor dit tijdstip in beperktere mate voor. Overigens is vooral de druk van de Hunnen verantwoordelijk voor het feit dat volkeren als bijvoorbeeld de Visigoten de Donau overstaken. Zij zochten in feite bescherming binnen het RR. Heersers als Odoakar blijven trouwens de keizer van het ORR als dé (Oost-) Romeinse Keizer erkennen. (Opmerkelijk genoeg verdwijnen de Hunnen na 451 van het toneel.)
We hebben nu dus een periode die gaat van 3600 vC tot 395 nC. Deze periode noemen we traditioneel de "oudheid". Deze vierduizend jaar zijn echter niet volledig homogeen. In een eerste fase, voorafgaand aan de klassieke oudheid van Grieken en Romeinen, ontstaan na het einde van de prehistorie overal ter wereld Grote Rijken: in het Nabije Oosten, in China, Indië en Amerika, etc... is dit aan te tonen. Uiteindelijk culmineert deze evolutie in de klassieke oudheid: Griekenland en Rome. Al deze Grote Rijken hebben dezelfde economische basis: de landbouw. Elk van deze rijken zal ontstaan, bloeien en in verval raken, maar allen vertonen ze een maatschappelijke structuur met boeren, lijfeigenen, slaven, adel en geestelijkheid.
De traditionele opvattingen besteden echter te weinig aandacht aan deze agrarische basis, ten voordele van de steden en de handel. Daardoor wordt een groot deel van de geschiedenis onbegrijpelijk: in deze visie kan men met reden de vraag stellen hoe het mogelijk was dat niet de handelaars de machthebbers waren. Daarom moet men de steden en de handel tot zijn juiste proporties terugbrengen: een bijverschijnsel. Vanaf de klassieke oudheid, voornamelijk dankzij de Grieken, ontstaat ook een rationalisme in het denken dat de wereld tracht uit te leggen naast de eenvoudige verklaring van het Opperwezen. Het omslagpunt tussen preklassieke en klassieke oudheid, kan men mijns inziens best omstreeks de 8ste eeuw voor het begin van onze jaarrekening leggen. In wezen waren de Hellenistische Tijd en het Romeinse Rijk natuurlijk ook Grote Rijken, maar ze moeten toch van de anderen worden onderscheiden omwille van het feit dat het zwaartepunt geleidelijk aan richting Europa verschuift en hier als het ware onze eigen, Westerse beschavingsgeschiedenis begint.
Reeds voor de invallen van de Germanen verschoof het zwaartepunt zich echter van Rome naar Constantinopel. Door de splitsing in WRR en ORR werd in feite het toch al zwakkere Westen in de praktijk prijsgegeven door het bloeiende Oosten (vergeten we niet dat het ORR nog duizend jaar, een hele geschiedenis op zichzelf, zou blijven voortbestaan en een belangrijke rol zou blijven spelen in de wereldgeschiedenis). Met andere woorden: 476 was geen oorzaak, maar een gevolg. De Germanen hebben gewoon ingenomen wat door het "nieuwe" RR reeds terzijde was geschoven. Men zou kunnen zeggen dat er zich een omgekeerde Frontierbeweging heeft voorgedaan, waarbij de grens van de civilisatie zich terugtrok.
Het WRR ruimde spoedig plaats voor een aantal Germaanse koninkrijken en het afzetten van de laatste keizer was dus in feite een tamelijk onbelangrijk gegeven. De man had toch al geen feitelijke macht meer en werd als een overbodig ornament aan de kant gezet. Er is met andere woorden geen echte scheiding (breuk) tussen de late oudheid en de vroege Middeleeuwen, alleen maar een geleidelijke overgang. In de eeuwen tussen 395 en het jaar duizend heeft West-Europa dan ook een ondergeschikte rol, zeker in vergelijking met de bloeiende Arabische gebieden. Omwille van dit laatste hebben sommige historici ervoor gepleit om de Hegira (622 nC) als scheidingsdatum te kiezen. Nog afgezien van het feit dat hierdoor het Europa-centrische uitgangspunt wordt verlaten, doet dit afbreuk aan de realiteiten in het Westen. Wanneer we bovendien in acht nemen hoe na het jaar duizend het Westen weer belangrijker wordt, zou dit een Arabisch intermezzo op onze tijdlijn betekenen, hetgeen nogal onpraktisch is omdat de Arabische geschiedenis nu eenmaal niet eindigt in 1000 en nogal wat eigen kenmerken heeft.
Net zoals de ouheid niet zonder meer één uniforme periode is, zijn ook de Middeleeuwen niet homogeen. Voorheen werd nogal eens gesproken over vroege, volle en late Middeleeuwen, maar gezien de hedendaagse inzichten, doet dit afbreuk aan de werkelijkheid. Veel beter is het de Middeleeuwen te verdelen in twee periodes: de Eerste en Tweede Middeleeuwen. De Eerste Middeleeuwen gaan dan van 395 tot omstreeks het jaar duizend. Alleen de Eerste Middeleeuwen verdienen die naam in de renaissancistische betekenis van de term. De Middeleeuwen worden immers traditioneel nogal eens als donkere tijden gezien, hetgeen eigenlijk alleen voor de periode 395-1000 opgaat, en dan nog. Zeker na 1100 lijken de Tweede Middeleeuwen meer op de Nieuwe Tijd dan op de Eerste Middeleeuwen.
In de Eerste Middeleeuwen wordt Europa gekenmerkt door economische achterstand, zeker in vergelijking met de Arabische wereld en vormt zich een geïsoleerde, sterk autarkische landbouwsamenleving, beslist een achteruitgang in vergelijking met de bloeiende economie van de Romeinse periode. Vooral de 9de en 10de eeuw tonen een Europa dat economisch volledig in verval is. De samenleving is dan een autarkische landbouweconomie, georganiseerd in horigheid en hofstelsel. Historici als Pirenne hebben geopperd dat dit kwam doordat de Islam West-Europa heeft afgesneden van de Middelandse Zee. Recentere inzichten wijzen eerder op een soort Frontierbeweging van West naar Oost, maar dan in tegengestelde betekenis van een beschavingsgrens die zich niet uitbreidt, maar terugtrekt.
Ook de overgang van Eerste naar Tweede Middeleeuwen is natuurlijk geleidelijk aan verlopen. Omdat vanaf de elfde, maar vooral vanaf de twaalfde eeuw de maatschappij een aantal fundamentele veranderingen ondergaat, moeten we best zoeken naar een datum rond 1000-1100 als splitsing van de Middeleeuwen. Het ontstaan van de nationale staten met machtige koningen, de opkomst van de vrijheidsgedachte, de ontwikkeling van de steden en de handel, het ontstaan van een ambtenarenstelsel en technische vooruitgang zijn maar enkele van de essentiële verschillen tussen Eerste en Tweede Middeleeuwen.
Waar het Westen in de Eerste Middeleeuwen in verdrukking was geraakt, komt in de Tweede Middeleeuwen een nieuwe Westerse expansie op gang. De kruistochten en de reconquista zijn duidelijke tekenen van het nieuwe zelfbewustzijn van het Westen in de Tweede Middeleeuwen. Dat deze expansie zou culmineren in één van de belangrijkste gebeurtenissen in de menselijke geschiedenis, namelijk de ontdekking van Amerika in 1492, past dan ook perfect in deze beschrijving.
Als formele scheidingsdatum tussen de Eerste en Tweede Middeleeuwen wordt nogal eens 1099 voorgesteld (de eerste Kruistocht en de verovering van Jeruzalem), maar dit valt nogal laat. Er is immers een periode aan vooraf gegaan waarin het Westen zijn kracht terugvond. Ook wordt 1066 genoemd: in de Normandische inval van Engeland en de verovering van Hastings toont het Westen zich inderdaad als een sterke macht, maar deze gebeurtenis is wezenlijk een interne aangelegenheid en doet dus afbreuk aan het expansionisme van het Westen in de Tweede Middeleeuwen. En ook 1054 heeft bepaalde verdiensten: het grote schisma, de scheiding van de Roomse en de Grieks-Orthodoxe kerk (die een scheiding is van het Latijns en het Grieks Christendom) illustreert de herwonnen kracht van het Westen; Rome zet Byzantium aan de deur: niet langer had het Oosten het laatste woord, maar het Westen werd zo sterk dat het er niet voor terugschrok om de Byzantijnse kerk te excommuniceren!
Misschien is het dan ook het beste om gewoon het jaar duizend als grens te kiezen tussen Eerste en Tweede Middeleeuwen. Deze datum vertegenwoordigt dan geen speciale gebeurtenis, maar heeft toch een hele symbolische betekenis. Wanneer het tweede millennium aanbreekt, verdwijnt de angst voor het einde van de wereld, slaakt het ganse Westen een diepe zucht van verlichting en kreeg het weer nieuwe kansen. De Westerse wereld is dan niet langer binnen zijn grenzen te houden: zowel ruimtelijk als politiek doet het Westen opnieuw aan expansie in de Tweede Middeleeuwen. De ontdekking van Amerika en de voltooiing van de reconquista in datzelfde jaar zijn prachtige symbolen hiervoor en illustreren en voltooien een beweging die met de kruistochten was op gang gekomen. Het belang van de kruistochten ligt dan ook niet zozeer in de enkele, kleine veroveringen, maar in de politieke expansiedrang van het Westen die erin tot uiting kwam. Het Westen laat met de kruistochten weer zien waartoe het in staat is en dringt terug op in de Middellandse zee waar het eerder was uit verdreven. Hoewel de Islam in de Middellandse Zee actief blijft, wordt deze laatste opnieuw een Westelijke zee.
Het einde van de Middeleeuwen kunnen we dan situeren in 1492. Dit jaartal vertegenwoordigt dan echter geen (geleidelijke) overgang zoals 395 dat wel deed, maar eerder een hoogtepunt. De samenleving voor en na 1492 is essentieel niet verschillend. In die zin is de Nieuwe Tijd een verderzetting van wat voor 1492 reeds is aangevat. Alleen zou men kunnen stellen dat de wezenlijke kenmerken van de Tweede Middeleeuwen veel sterker naar voren komen in de Nieuwe Tijd. Hiermee verlaten wij dus de opvatting van de renaissance-historici die de ganse Middeleeuwen letterlijk zagen als een duister stuk geschiedenis waarin de opvattingen van de ouden, de "antieken", waarnaar men bewonderend opkeek, verloren waren gegaan. Deze opvatting is achterhaald, mede omdat periodisering niet enkel op culturele en filosofische momenten moet zijn gebaseerd.
Onder invloed van het feit dat onze gewesten lange tijd een satelliet van Frankrijk zijn geweest, wordt vaak 1789 (Franse Revolutie) gekozen als scheiding tussen Nieuwe Tijd en Hedendaagse Tijd (HT). En inderdaad leefde in Frankrijk vanaf 1789 het gevoel dat men komaf had gemaakt met alle oude opvattingen en dat er een nieuwe samenleving tot stand was gekomen. Naast het feit dat 1789 echter een nogal eenzijdig Frans beeld geeft, gaat het voorbij aan een essentieel gegeven: de overgang tussen een agrarische maatschappij en een geïndustrialiseerde samenleving, één van de hoofdmomenten van de totale menselijke geschiedenis.
De vraag naar het begin van de Hedendaagse Tijd is dan ook in de eerste plaats de vraag naar het begin van de industriële samenleving in de betekenis van een maatschappij waar industrie en techniek de ruggengraat vormen. Engeland en gebieden uit het huidige België (Luik) waren de koplopers van deze transformatie, maar in een breder perspectief kan men stellen dat het heeft geduurd tot het einde van de 19de eeuw vooraleer deze overgang was voltooid. Als datum is dit helaas nogal laat. De breuk met het ancien régime in de brede betekenis van het woord had al eerder plaatsgevonden en de keuze van een datum in de periode rond 1850-1870 verdoezelt de Eerste Industriële Revolutie te zeer.
Samen met anderen ben ik persoonlijk geneigd om 1776 te verkiezen als scheidingsdatum tussen Nieuwe Tijd en Hedendaagse Tijd, waarbij we dan wel de HT moeten verder opsplitsen in twee fasen: de aanloop en de Eerste Industrialisering enerzijds en de volle HT anderzijds. Met 1776 hebben we een belangrijk moment: niet alleen worden de USA, toch wel één van de belangrijkste factoren in onze hedendaagse samenleving, onafhankelijk, bovendien verschijnt voor het eerst de stoommachine in de nijverheid ten tonele en begint aldus de derde grote periode uit de menselijke geschiedenis. Nog andere belangrijke kenmerken van de huidige samenleving zien in 1776 het licht: Adam Smith publiceerde zijn "Origin of the wealth of nations" en de rechten van de mensen werden uitgevaardigd. De ons bekende wereld wordt hier geboren!
Zoals reeds gezegd, moet men duidelijk de Hedendaagse Tijd ontdubbelen in een overgangsperiode waarin nieuwe kenmerken naast eigenschappen van het ancien régime staan en het eigenlijke hedendaagse tijdvak waarin de derde grote periode uit de menselijke geschiedenis definitief is aangebroken. Inderdaad houdt de maatschappij van de Nieuwe Tijd niet abrupt op met bestaan in 1776 of 1789. Het ancien régime met zijn vorstelijk absolutisme, oude rechtsregels, voorrechten voor adel en clerus en privileges voor standen, steden of regio's gaat slechts geleidelijk over in de hedendaagse samenleving.
In de periode vanaf grosso modo 1870 krijgt de Westerse wereld zijn definitief geïndustrialiseerd karakter met de Tweede Industriële Revolutie. De Eerste Industriële Revolutie was geboren in Engeland en op het continent in het huidige België (Luik en Henegouwen) omstreeks 1776 (1769: patent op de stoommachine), dus op het einde van de 18de eeuw. Maar wanneer men naar de rest van het Westen kijkt, gebeurt de definitieve doorbraak pas rond 1870. De Eerste IR was dus niet onbelangrijk, maar was wel ruimtelijk beperkt, in tegenstelling tot de Tweede IR. De hoog ontwikkelde industrie van de Eerste IR betekende niet dat het agrarische karakter van de maatschappij volledig was verdwenen, maar de Tweede IR maakte volledig komaf met de landbouwmaatschappij en de industrie vormde vanaf dan de ruggegraat van de Westerse samenleving. De Eerste IR legt de basis voor de moderne samenleving en het is met de spoorwegen dat de industrialisatie echt op gang kan komen. De Tweede IR was niet alleen meer op kolen en ijzer gebaseerd, maar bracht staal, olie, elektriciteit en chemische nijverheid tot ontwikkeling. Deze zouden de pijlers van de nieuwe Industriële samenleving worden.
Met deze indeling van de Hedendaagse Tijd in twee fasen, zijn we meteen in de ons bekende tijden gekomen. Het valt overigens te verwachten dat de recente transitie naar een Informatie Samenleving spoedig zal worden toegevoegd als mijlpaal op de tijdlijn. De hier voorgestelde periodisering is natuurlijk ook kind van zijn tijd en gaat in de eerste plaats terug op politieke en economische momenten. Elke indeling is per definitie arbitrair, maar dat is nu eenmaal onvermijdelijk. Het voornaamste is echter dat we een bruikbaar model hebben ontworpen dat kan dienen als chronologie in de geschiedschrijving. En daar ging het in de eerste plaats om!
Copyright © Guido Gybels, 1999-2003, All rights reserved.
This page was last updated 30 August 2003.